Lezingen:

Thora: Deuteronomium 16:9-17 en Numeri 28:26-31

Haftarah: Habakuk 2:20 – 3:19

Brit Chadasja: 2 Korinthe 3

 

 

Shavuot betekent weken: We vieren Shavuot nadat we zeven weken hebben geteld vanaf Pesach:

Zeven weken moet u voor uzelf aftellen. (…) Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. (Deut. 16: 9a en 10a)

 

In het christendom spreekt men over Pinksteren. Dat komt van het Griekse Pentecoste – 50e dag.

 

Andere namen voor dit feest zijn:

  • De dag van de eerstelingen: Ook op de dag van de eerstelingen, als u op uw Wekenfeest de HEERE een nieuw graanoffer aanbiedt, moet u een heilige samenkomst houden; geen enkel dienstwerk mag u dan doen. (Numeri 28:26)
  • Feest van de oogst Ook het Feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw werk, van wat u op de akker gezaaid hebt. En het Feest van de inzameling, aan het einde van het jaar, wanneer u de vruchten van uw werk van het veld ingezameld hebt. (Exodus 23:16

 

Volgens de traditie ontving Israël op dag van het wekenfeest de Thora op de berg Sinai. Daarom zijn de meeste gebruiken gerelateerd aan het geven van de Thora.

Gebruiken met Shavuot:

  • Het bestuderen van de Bijbel gedurende de nacht.
  • Het eten van zuivelproducten
  • Het lezen van het Bijbelboek Ruth.

 

Shavuot is ook een Messiaanse feestdag. Het is de dag dat de Heilige Geest, de Ruach HaKodesh, werd gegeven:

En toen de dag van het Pinksterfeest vervuld werd, waren zij allen eensgezind bijeen. (..) En zij werden allen vervuld met de Heilige Geest en begonnen te spreken in andere talen, zoals de Geest hun gaf uit te spreken. (Handelingen 2:1 en 4)

 

Huwelijksfeest

Shavuot wordt gezien als het huwelijksfeest tussen God en het volk Israël. De Thora wordt gezien als de Ketubah, het huwelijkscontract tussen God en zijn volk.

Jesjoea gebruikt een bestaand beeld als Hij spreekt over Israël als bruid van God. Dit concept was al bekend bij de profeten. Zo lezen we in Jeremia 2:2:

Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:

Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,

aan de liefde van uw bruidsdagen,

toen u achter Mij aan ging in de woestijn,

in een land waarin niet wordt gezaaid.

 

De 40 jaren die daarop volgden worden gezien als de “wittebroodsweken” tussen God en zijn volk

  • Veertig jaar lang ontbrak het hen aan niets, levend in Gods aanwezigheid
  • Kleren en schoenen versleten niet
  • God voorzag hen van water en brood
  • Zij heerlijkheid daalde neer op de berg Sinaï en later op de tabernakel

 

Dit is de achtergrond van diverse gelijkenissen van Jesjoea.

Zo leert hij ons in de gelijkenis van de 10 bruidsmeisjes om klaar te zijn voor de komst van de Bruidegom: De Messias Jesjoea (Mattheus 10)

In de gelijkenis van de Bruidsmaaltijd (Mattheüs 22:1-14) vergelijkt Hij het koninkrijk der hemelen met een koning, waarvan de zoon trouwt: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een zeker koning die voor zijn zoon een bruiloft bereid had. (Mattheüs 22:2)

 

Opgaansfeest:

Shavuot is één van de feesten waarop alle mannen naar Jeruzalem moesten gaan. Vrouwen en kinderen mochten mee, maar de verplichting was er alleen voor mannen. Het bijzondere aan dit feest was dat het hele volk aan het aftellen was: 50 dagen lang. 

 

En die reis zelf, was een groots gebeuren. Men trok vaak op met de mensen uit het dorp of uit hun eigen stam, op weg naar Jeruzalem. En er moest nogal wat mee. We hebben het zojuist gelezen: 

  • 2 broden van 2 efa meelbloem met zuurdeeg gebakken als dankoffer voor JHWH
  • 7 lammeren zonder enig gebrek
  • Een jonge stier
  • 2 rammen
  • Een geitenbok als zondoffer en nog eens twee lammeren.

Een hele kudde bij elkaar. Waarschijnlijk werd dit niet meegenomen per gezin, maar gezamenlijk door een familiegroep/ stam. 

 

En dan de reis. Die kon, als je in het uiterste noorden woonde, wel meer dan 150 kilometer zijn. Te voet. En je moest ook weer terug! 2 keer een week op pad. Toch stond De Eeuwige er op. Er was geen afstandslimiet. 

 

Alle eer aan God 

Waarom moesten de mensen naar Jeruzalem gaan? Daar woonde Adonai Elohiem in de tempel. Als je Hem wilde ontmoeten, dan moest je naar de tempel gaan. Daar kon je dicht bij Hem zijn. Tot op zekere hoogte, want we lezen ook verschillende keren in de Bijbel dat als de heerlijkheid van HaShem de tempel of, daarvoor, de tabernakel vulde, dat er dan geen mens naar binnen kon gaan. Daarnaast mocht alleen de hogepriester het Heilige der Heiligen binnen gaan. Maar toch, God wilde zijn volk daar ontmoeten, in Jeruzalem.  

 

De priester gaf de eer aan God. Niet aan de boer, die zijn brood kwam brengen na al het werk dat hij had gedaan. De boer had er hard voor gewerkt en wat moest hij doen? God danken! En daarvoor moest hij helemaal naar Jeruzalem. Want van wie kreeg hij de kracht het land te bewerken? Van God. God weet wat in de harten van het volk en van ons om gaat. Het is goed, voor je aan het oogsten gaat, voor je aan het werk gaat, God te danken. Anders vergeet je Hem en word je trots. Dank jij God dat je een huis hebt om te wonen? Dat je mag leven In een land zonder oorlog? Dat je te eten hebt? Wat leeft er in je hart? Dankbaarheid voor wat we krijgen. God alleen de eer. Dat is wat in de tempel gebeurde. 

 

Er is nu geen tempel meer in Jeruzalem. Daarom is er nu geen opdracht om naar Jeruzalem te gaan. God komt naar jou toe. De Eeuwige zegt: ik kom naar jou toe. Mijn geest komt in jou wonen. Jij bent mijn tempel God maakt een bijzondere plek in jouw hart. 

 

Van Pesach tot Sjavoe’ot telden wij de omer

Het begin van de Omertelling viel samen met het feest van de ongezuurde broden. Dit zijn de dagen, volgend op Pesach, waarin al het zuurdesem uit huis gebannen blijft. Dit staat symbool voor de zonde die we uit ons leven weg moeten doen. Voorafgaand aan Pesach is alles was gezuurd, alles wat chameets is, uit huis verwijderd. Wordt er in deze week nog iets in huis gevonden, al is het maar een brood kruimel, dan wordt alsnog verwijderd. Dit staat symbool voor alle zonde die uit ons leven weg moet. Volgend op de verlossing moeten wij ons dus heiligen en reinigen. Het is niet: God is ons genadig en dus kunnen wij onze gang gaan. Zoals Paulus ook zegt in Romeinen 6: 1 en 2 

 

1Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade toeneemt? 

2Volstrekt niet! Hoe zullen wij, die met betrekking tot de zonde gestorven zijn, nog daarin leven? 

 

Als reactie op onze verlossing vraagt God van ons dat wij ons heiligen en reinigen. Genade vraagt geen gemakkelijk achterover leunen, maar een actieve inzet. Zoals we ook lezen in Jacobus 4:7 en 8: 

7Onderwerp u dan aan God. Bied weerstand aan de duivel en hij zal van u wegvluchten. 

8Nader tot God, en Hij zal tot u naderen. Reinig de handen, zondaars, en zuiver de harten, dubbelhartigen! 

 

En in Jesaja 44:22 

 

22Ik delg uw overtredingen uit als een nevel, en uw zonden als een wolk.  

Keer tot Mij terug, want Ik heb u verlost. 

 

De verlossing gaat vooraf aan de levensheiliging. Dat is genade. God is ons voor, maar het vraagt van ons wel een actieve reactie. Tegelijk leert ons de levensheiliging ook steeds weer: Ik kan het niet zelf, ik kan het niet alleen. En zo mogen wij ook steeds weer terug vallen op Gods genade. 

 

Een zuster uit onze gemeenschap appte me deze week een foto met daarop de tekst:

“We volgen zijn geboden niet om gered te worden, maar omdat we gered zijn! Dit vieren we tijdens Sjavoeot”

 

Het werk van de Geest 

Omdat wij zeven weken met zeven Sabbatten tellen en op de vijftigste dag vieren, dat wij naast de Tora ook de Heilige Geest hebben ontvangen, is het belangrijk om ons de vrucht van de Heilige Geest juist in deze tijd steeds voor ogen te houden want dat is het zichtbare resultaat van Zijn inwoning:  

 

“De vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de Tora niet.” (Galaten 5:22-23). 

 

Dat deze tijd een periode is van geestelijke groei, zie je ook in de broden die getoond worden op Shavuot. Waar op het feest van de eerstelingen, de dag na Pesach, een schoof geheven wordt, worden nu twee broden geheven. Gedesemd brood. Dit staat hier niet voor zonde, zoals tijdens het feest van de ongezuurde broden. Het brood is hier teken van volwassenheid. Volwassen in het geloof. Bijzonder ook om die lijn door te trekken naar de eerste Shavuot na Yeshua’s opstanding en hemelvaart. Nu zijn de discipelen voldoende gegroeid in geloof en kennis, om de Ruach haQodesh te ontvangen en zelf het evangelie uit te gaan dragen. 

 

Feest van de eerstelingen

De reden voor het offeren van de eerstelingen was om God te danken voor het goede dat Hij ons heeft gegeven, om God te danken voor zijn genade. Dat kunnen we vandaag blijven doen.

Dit doen we door God onze eerstelingen, onze talenten, ons inkomen, onze tijd en onze inspanningen te geven.

Dit doen we ook door het proberen na te leven van de Thora.

 

Jesjoea vergelijkt het volk Israël  in zijn onderwijs met fruitbomen. Hij verwacht van zijn volk dat het vrucht brengt.

 

God heeft ons gezegend met vele gaven en talenten. Deze mogen we in zetten in zijn Koninkrijk. Dit beperkt ons niet tot het geven van fysieke offers  – geld, bezittingen – maar ook het gebruiken van de tijd en de gaven die de Geest ons geeft. Zo vraagt God ook van ons dat ieder zijn rol heeft in de gemeente en daarin actief bijdraagt.

 

God geeft ons allemaal verschillende gaven. We kunnen hierbij denken aan de gelijkenis van de talenten / zakken met goud in Mattheüs 25. De rijke man gaf zijn bezit in handen van 3 dienaren. De één kreeg 5 talenten / zakken met goud, de ander 3 en de derde 1. Toen hij terug kwam ontdekte de man dat twee dienaren loyaal en verantwoordelijk waren. De derde koos er echter voor om passief te blijven. Hij zei tegen zijn meester:

 

Heer, ik wist dat u een streng man bent, omdat u maait waar u niet gezaaid hebt, en inzamelt van de plaats waar u niet gestrooid hebt. (Mattheüs 25:24b)

 

Het moeilijke deel van deze gelijkenis is zonder twijfel de bewering van de luie dienaar, die niet genoeg deed met de vaardigheden, talenten en gaven die God hem heeft gegeven. Hij beweert: "Ik wist dat je een harde man bent", en Yeshua legt ons uit wat hij bedoelt: "oogsten waar je niet hebt gezaaid en verzamelen waar je niet hebt uitgestrooid".

 

Oogst God waar Hij niet heeft gezaaid en verzamelt Hij waar Hij niet heeft uitgestrooid? Het antwoord is: ja, absoluut!

 

Sjavoeot, het oogstfeest, gaat daar precies over. God verlangt van ons de eerste vruchten van onze arbeid. Het is ons verboden fruit van onze bomen te eten tot het vijfde jaar, zoals geschreven staat:

 

23 Wanneer u in het land komt en allerlei vruchtbomen plant, moet u de vruchten ervan als verboden beschouwen. Drie jaar lang zullen ze voor u verboden zijn, er mag niet van gegeten worden.

  1. Maar in het vierde jaar zullen alle vruchten ervan heilig zijn, tot lofzegging voor de HEERE.
  2. En in het vijfde jaar mag u de vruchten ervan eten om de opbrengst ervan voor u te vermeerderen. Ik ben de HEERE, uw God. (Leviticus 19:23-25)

 

Dit idee beperkt zich niet alleen tot fruitbomen. Het Woord van God gebiedt ons om de randen van ons veld en de randen van onze wijngaarden achter te laten voor de armen, behoeftigen en vreemdelingen. Dit betekent dat anderen naar mijn privé-eigendom zullen komen om te plukken en te verzamelen van mijn veld, van mijn oogst.

 

Dit is het verhaal van Ruth. Ze kwam op een veld dat niet van haar was, op een veld waar ze niet op werkte, waar ze niet zaaide, op het veld van Boaz, en daar begon ze aren te lezen tijdens de oogst.

 

En wie zijn die armen, ongelukkigen en zieken? Wie zijn zij die genieten van het werk van anderen? Yeshua vertelt ons ook over deze mensen:

 

34 Dan zal de Koning zeggen tegen hen die aan Zijn rechterhand zijn: Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld. 35. Want Ik had honger en u hebt Mij te eten gegeven; Ik had dorst en u hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling en u hebt Mij gastvrij onthaald. 36. Ik was naakt en u hebt Mij gekleed; Ik ben ziek geweest en u hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis en u bent bij Mij gekomen. (Mattheüs 25:34-36)

 

We willen God dienen. Hoe dienen we hem? Hoe kunnen we Hem herkennen? Jesjoea antwoordt...]

Voorwaar, Ik zeg u: voor zover u dit voor een van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan. (Mattheüs 25:40)

 

Dus wanneer een arme man mijn privé terrein betreedt en mijn oogst en mijn graan opraapt, is dat de vervulling van Jesjoea's woorden: "Oogst waar je niet hebt gezaaid en verzamel waar je niet hebt uitgestrooid." Ons geven is niet aan de armen, zegt Jesjoea, maar alsof we het de Heer zelf hebben aangedaan!

 

Hoe zien wij de gemeente? Stellen we ons onze gemeente voor als de plek waar we aankomen, een beetje zitten, een beetje zingen, een beetje bidden, een beetje naar de preek luisteren en dan naar huis gaan – is dat het?

 

Ik deed mijn plicht als gelovige; God is blij met mij omdat ik naar het huis van God ben gegaan.

 

De belangrijke vraag die de Schrift en Jesjoea ons stellen is: Waar is de vrucht? Waar is het nut van de gaven die God ons heeft toevertrouwd?

 

Wij zijn Gods werkers en we zijn verplicht om het lichaam van de Messias en het Koninkrijk der Hemelen op te bouwen. Ieder van ons heeft talenten en gaven, en die moeten we gebruiken om de gemeente op te bouwen!

 

Onderdeel van het eerstelingengebod is om oprecht blij te zijn met het recht en het vermogen om goed te doen, anderen te helpen en te dienen.

 

Het is de moeite waard om één keer per jaar te denken aan de vrucht die we hebben voortgebracht en deze voor God te presenteren. Om God rekenschap te geven - wat heb ik dit jaar gedaan voor het Koninkrijk der Hemelen?

 

Op Sjavoe’ot is het gebruikelijk om te leren uit het boek Ruth. Ruth barst als een verfrissende geest een verstarde en bevroren wereld binnen. Ze barst erin met haar vrijgevigheid. Ze geeft en ze doet meer dan haar gezinsverantwoordelijkheden.

 

Omwille van Naomi vergezelt Ruth haar terug naar het land Juda in haar tijd van moeilijkheden. Wanneer ze met niets naar Bethlehem terugkeren, steunt ze Naomi, ze gaat aren lezen en aalmoezen verzamelen in de velden van Bethlehem. Ze handelt in volledige gehoorzaamheid en vertrouwen aan Naomi.

 

En dit voorbeeld van Ruth raakt Boaz, haalt hem uit het bevroren stadium waarin hij zich bevindt, maakt hem wakker voor echte daden van vriendelijkheid.

 

Ons geloof vereist van ons dat we net als Ruth handelen, afgezien van onze loutere verplichtingen, om te handelen met barmhartigheid, zelfopoffering, zorgzaamheid en vriendelijkheid.

 

Shavuot is de tijd om onze eerstelingen voor God te presenteren, om ze in heiligheid aan de Heer en de gemeente aan te bieden.

 

Fijne Sjavoeot voor jullie allemaal!